Nagas zijn in het boeddhisme en het hindoeïsme een klasse van bovennatuurlijke wezens (pali: deva) die vaak de verschijning van een slang of draak aannemen. Buiten het boeddhisme en het hindoeïsme worden ze ook wel als een fabeldier beschouwd.
De natuurlijke vorm van Nagas is de vorm van een grote slang. Ze hebben echter de kracht om hun lichaam (tijdelijk) een andere vorm aan te laten nemen, en kunnen daardoor in verschillende gedaanten voorkomen; als veelkoppige draak, mens, half slang en half mens of mens met slangen groeiend uit het hoofd.
De nagas bezitten volgens het hindoeïsme een goddelijke parel van kennis. Nagas kunnen goed- of kwaadaardig zijn en geven je robijnen als je ze voor je wint, maar hun gif is dodelijk. Nagas worden gemakkelijk boos en hun adem en oog-blik kan dodelijk zijn. In het hindoeïsme en in de Jataka verhalen van het boeddhisme zijn de enorme Garoeda vogels de grote vijand van de nagas. In het boeddhisme maken de nagas deel uit van de Catummaharajika devas.
Nagas nemen vaak de functie van bewaker op zich. In India bewaken nagas de poorten van heilige oorden. Op platforms rond Asvattha bomen wordt hun beeltenis gelegd; het zou de menselijke vruchtbaarheid bevorderen. Ze bewaken ook vaak heilige relikwieen van de Boeddha of zijn disciplen.
Er worden twee klassen nagas onderscheiden: land-nagas en water-nagas. De land-nagas worden soms ook wel 'verborgen nagas' genoemd en bewaken schatten en hebben verschillende ondergrondse steden. Een van deze steden is genaamd Bhogavati en is een stralende stad van muziek en bloemen, bestuurd door de slangenkoning Takshaka. De 'nagas van het water' leven in bronnen, rivieren en meren. Ze hebben paleizen op de zeebodem, vervaardigd uit de meest kostbare metalen en edelstenen.
In het hindoeïsme slaapt Vishnu bij de schepping en in rust op Sesha, de koning van de naga's, die hem beschermt. Ooit zouden er water-naga's gevangen zijn in een kist; dat leidde tot zeven jaar van droogte. Andere naga's werden verslagen door de koning van Nepal. Zij maakten afbeeldingen van zichzelf voor hem, geschilderd met hun eigen bloed. De verering ervan zou voor regen zorgen.
In het Pali Canon (en vooral in de Jatakas) staan er veel verhalen over naga's. In de Vinaya-pitaka staat het verhaal van de naga die de vorm van een mens aannam en bhikkhu (monnik) werd. Toen hij in slaap viel verloor hij zijn menselijke vorm echter en nam zijn natuurlijke vorm van een grote slang aan. De andere monniken zagen een grote slang liggen in het hutje van de nieuwe 'naga-monnik' en vonden zo uit dat hij geen mens was maar een naga. De Boeddha hoorde wat er gebeurd was en legde vervolgens de Vinaya-regel neer dat naga's geen bhikkhu kunnen worden. De naga beloofde zichzelf in de toekomst goed te gedragen zodat hij als mens wedergeboren zou worden en vervolgens bhikkhu zou kunnen worden.