Ānanda (Ch:阿難) was ëën van de belangrijkste leerlingen van Gautama Boeddha en werd bekend als de Beschermer van de Dharma. Ānanda (Pali) betekent vreugde, plezier of verheuging.
Ānanda was een neef van de Boeddha en zeer nauw met hem verbonden. Hij trad in het tweede jaar na Boeddha's verlichting in de Orde en was gedurende de 25 laatste jaren van het leven van de Boeddha zijn persoonlijke assistent en vergezelde hem op zijn reizen. Een belangrijk onderdeel van zijn taak was het onthouden van de toespraken (of suttas) van de Boeddha. Veel verhalen van de Boeddha vinden ook plaats in de vorm van een gesprek met Ānanda.
Kort voor het overlijden van Boeddha gaf hij een lofrede aan Ānanda (in de Mahaparinibbana Sutta, Digha Nikaya 16) en beschrijft hem als een vriendelijke man, die altijd klaarstond voor anderen en zonder zelfbelang handelde. Hij vertelde hem toen ook dat indien hij zou praktizeren, hij snel een volledig verlichte Arahant zou worden. Ananda zei van hemzelf dat gedurende de 25 jaar dat hij de Boeddha bediende als persoonlijk assistent, hij geen enkel moment van haat of aversie beleefde.
Ānanda werd snel nadat hij bhikkhu werd een heilige (een Sotapanna), maar het duurde tot na de dood van de Boeddha dat hij een volledig verlichte (Arahant) werd. Dit gebeurde kort voor de eerste boeddhistische raadsvergadering, in het jaar na het Parinibbana van de Boeddha. Hem werd medegedeeld dat alleen Arahants in die vergadering toegelaten werden, en maakte daarom een buitengewone inspanning om het Arahantschap op tijd te bereiken, wat hem ook gelukte.
Ānanda wordt vaak de leerling van Boeddha genoemd die "veel gehoord had", omdat Ananda de persoonlijk assistent was en vaak met het hem op reis ging. Tijdens de Eerste Raadsvergadering, kort na het overlijden van de Boeddha, werd Ānanda gevraagd vele verhandelingen te reciteren, hetgeen later bekend werd als Sutta Pitaka.
Zijn vele taken, zijn zeer vriendelijke en medelevende natuur en bewondering voor de Boeddha als persoon stonden misschien ook wel een beetje in de weg voor hem om zelf snel verlichting te behalen en een einde aan het lijden (dukkha) te maken. Ānanda werd als oude man ook ooit door de monnik Maha Kassapa voor kind of jongeling uitgemaakt, omdat hij toen slechts een Sotapanna was, en nog steeds innerlijke onvolkomendheden had.
In de Zen traditie wordt Ānanda beschouwd als tweede Indische patriarch. Hij wordt in het Zen vaak met Boeddha afgebeeld, samen met Mahakashyapa, de eerste patriarch.